Over het geloven

Victor Kal
1993 De Uil van Minerva  
Stem en visioen. Engelse dichters en het verdwijnen van God. Kapellen, DNB/Uitgeverij Pelckmans, 1992, 150 blz., 550 Bfr., ISBN 90 289 1766 Wanneer men veel doet in weinig bladzijden, is het niet altijd mogelijk de dingen met nuance te behandelen. Dit aanvaarden we, zoals we ook aanvaarden dat de stellingen die als het laatste steunpunt van een gedachtcngang fungeren, niet meer uitdrukkelijk verdedigd worden. Ergens moet je ophouden. De volstrekte rechtvaardiging is een fictie, evenzeer als de
more » ... e, evenzeer als de uitputtende nuancering. Maar het is wel een hele kunst zich te beperken en alleen maar een paar dingen te zeggen. Niet zelden praten wij dan ook langs elkaar heen. We dienen de titel van het boek dat hier besproken wordt van achter naar voren te lezen. Herman Servotte schrijft in de eerste plaats over een theologisch of godsdienstwijsgerig probleem, namelijk de vraag op welke wijze we nog kunnen spreken over een aanraking met God. Want de normale wijze van ervaren van de 'verlichte' mens geeft, zo lijkt het, geen toegang tot het goddelijke; onder die omstandigheid verdwijnt God uit het zicht. Servotte nu schrijft niet zozeer over het verdwijnen van God, als wel over het zoeken naar een verscholen God. Zijn vraag is welke weg daartoe het beste genomen kan worden. Deze vraag behandelt hij aan de hand van een zestal Engelse dichters. Die dichters worden dus niet omzichzelfswille besproken; ze krijgen dan ook maar in beperkte mate reliëf. Hun beleven van de werkelijkheid wordt onderzocht op een heel specifiek punt dat vooraf al vaststaat. Eerst komen vier dichters ter sprake voor wie de toegang tot het goddelijke in de blik en in het visioen ligt; het zijn Wordsworth, Coleridge, Shelley en Keats, dichters uit de Romantiek. Vervolgens illustreert Servotte aan Eliot en Auden de mogelijkheid te hóren van God, in de stem van het eigen hart of in de stemmen van anderen. Het contrast tussen de twee genoemde toegangswegen tot het goddelijke, het zien van het visioen en het horen van de stem, is interessant. Servotte is in de systematische uitwerking van dit contrast echter erg summier en ook een beetje grillig. Het gaat, bijvoorbeeld, toch wel ver om in zes regels "het psychoanalytische denkmodel" van Lacan te introduceren en tegelijk ook nog te gebruiken (blz. 147). Bovendien is de belangstelling die Servotte voor zijn thema heeft niet uit één stuk; onaangekondigd verschuift daarbij een accent. Aanvankelijk is hij vooral gefuteresseerd in de vraag of er "naast de wereld die wij met de zintuigen ervaren, een andere niet direct waarneembare werkelijkheid is", en of het spreken over deze andere werkelijkheid "cognitieve draagwijdte" heeft (blz. 40, 46, 50, enz.). Maar later gaat het niet meer om het statuut van deze "eigenlijke werkelijkheid" die ligt achter de wereld van de waarneming. Nu wordt gezegd : "De romantici zijn nog de gevangene van het tweewereldenschema ... " (blz. 148); terwijl Eliot en Auden 'de Andere' binnenwerelds ontdekken. Vanaf dat moment heeft de kwestie van de cognitieve draagwijdte van de toegangsweg tot het goddelijke voor Servotte alle urgentie verloren. Het Andere dat bij het zien van het visioen zo kwestieus is, schijnt in het geval van het horen van de stem geen probleem te vormen. De onderliggende preoccupaties van de auteur komen nu aan het licht. Daarover nog een enkele opmerking.
doi:10.21825/uvm.v9i4.1404 fatcat:2zfu6tn2r5a3rkz56rubwsjshe