ONDERNEMER EN MAATSCHAPPIJ

T. P. Van Der Kooy
1953 Maandblad Voor Accountancy en Bedrijfseconomie  
Enkele jaren geleden verscheen er in ons land een geruchtmakend boek, dat bedoelde te zijn "een appèl tot christelijke solidariteit in een democratisch-socialistische politieke en maatschappelijke omwenteling" . In dit boek lees ik een boutade tegen wat de schrijver noemt "de klaplopersmentaliteit, waarvan de huidige maatschappij vol is" . ..W ant" -zo schrijft hij -"het is zeker, dat de instandhouding van de huidige maat schappijstructuur alleen gelukt dank zij de honderdduizenden, die loyaal
more » ... n concrete verantwoordelijkheid en eerlijkheid hun werk verrichten zon der kans op gewin en bezit, en die de handigen, de bewegelijken, de kenners van de ongeschreven wetten en mogelijkheden van deze struc tuur zien profiteren. Onze maatschappij berust op de stillen in den lande. De profiteurs zijn de leugenaars, de luiaards, zij die in het groot of het klein het commercialistisch instinct hebben. Doodgewone, trouwe en noeste arbeid is het minst profijtelijke, wat er in deze huidige maatschappij is" . !) Het wil mij voorkomen, dat dit citaat typerend is voor de in brede kring bestaande miskenning van de functie van de ondernemer in de maatschap pij. De arbeiders, de technici, de ingenieurs, zo meent men, doen het "eigenlijke" werk, maar de ondernemers gaan op de een of andere slinkse manier met de winst strijken. Deze populaire misvatting heeft in de W esterse wereld de laatste honderd jaar tot grote ontevredenheid over de grondslagen der maat schappij geleid, en daardoor stellig bijgedragen tot een machtsverschui ving, die in versneld tempo een definitieve ontknoping schijnt te naderen. Een punt van bijzondere betekenis is daarbij, dat het heel moeilijk is een juister oordeel over de ondernemingsgewijze organisatie der productie bij het grote publiek ingang te doen vinden. Schumpeter merkt hierover op: "People at large would have to be possessed of an insight and a power of analysis which are altogether beyond them" ; trouwens, zo voegt hij er aan toe, "practically every nonsense that has ever been said about capitalism has been championed by some professed economist" . * 2) Nu zou ik onder "kapitalisme" liever verstaan een bepaalde, grotendeels reeds tot het verleden behorende vorm der ondernemingsgewijs georga niseerde maatschappij. Tegen deze vorm, die ook nog wel verdedigers vindt, zijn inderdaad ernstige bezwaren aan te voeren. M aar dit betekent niet, dat elke ruilverkeersmaatschappij, waarvoor de particuliere onder neming typerend is, afkeuring zou verdienen. Terecht heeft onlangs Mi nister Zijlstra bij de verdediging van zijn begroting in de Tweede Kamer uiteengezet, dat de ondernemingsgewijs georganiseerde productie nood zakelijk is "als de meest doelmatige vorm van een maatschappij met consumptievrijheid en arbeidsvrijheid" en "voor het kunnen functionneren van de democratische Staat" . 3) W ie betoogt, dat er op grond van chris telijke of humanistische solidariteit een maatschappelijke omwenteling moet komen, verlieze niet uit het oog, dat afschaffing van de ondernemersfunctie verbruiksrantsoenering, arbeidsdwang en dictatuur betekent: de laatste mogelijkheid van menselijke solidariteit zou daarmee in onze 1) C. J. Dippel, Kerk en wereld in de crisis, 's Gravenhage, 1948, bl. 362. 2) J. A. Schumpeter, Capitalism, socialism and democracy, Londen 1944, bl. 144. 3) Handelingen dl. III, vergadering van 4 Dec. 1952, bl. 3212. O N D ERNEM ER EN MAATSCHAPPIJ m a b blz. 112
doi:10.5117/mab.27.15344 fatcat:eid6luwtjvcyrnwxlfp3ybalte