De dienstplicht op de markt gebracht. Het fenomeen dienstvervanging in de negentiende eeuw

E.W.R. van Roon
1994 BMGN: Low Countries Historical Review  
Gedurende bijna de gehele negentiende eeuw, vanaf de introductie van de dienstplicht in de Napoleontische tijd tot de aanname van de militiewet van de minister van oorlog K. Eland in 1898, bestond in Nederland het remplaçantenstelsel. Dit stelsel bood de Nederlandse burger die was 'ingeloot', of te wel een dienstplichtig nummer had getrokken, de mogelijkheid een ander in zijn plaats aan te stellen. Dit kon een plaatsvervanger (iemand die niet aan de loting deelnam, nam vrijwillig de plaats in
more » ... llig de plaats in van een ingelotene) of een nummerverwisselaar (een uitgelotene nam de plaats in van een ingelotene) zijn. Deze ruil van dienst was niet kosteloos. De geremplaceerde diende, variërend naar vraag en aanbod, een bedrag tussen de ƒ600 en ƒ800 te betalen, voor de in zijn plaats waargenomen diensten 1. Ondanks de hoge prijs bestond er een niet aflatende belangstelling voor het remplaçantenstelsel. Jaarlijks ruilde ongeveer 20% van de militieplichtigen zijn plaats met een ander. De Nederlandse burger bleek veel geld over te hebben om zijn diensttijd, die wettelijk was bepaald op vijfjaar, met een eerste oefening in de kazerne van maximaal eenjaar, dooreen änderte laten vervullen. Plaatsvervanging en nummerverwisseling was in de regel geen onderonsje tussen de ingelotene en degene die bereid was zijn plaats in te nemen. Inherent aan het dienstvervangingsstelsel, zoals dat in Nederland bestond, was een derde partij van zaakwaarnemers, makelaars, commissionairs en militiemaatschappijen, die tegen betaling zorgdroeg voorde bemiddeling tussen de remplaçanten geremplaceerde. Van de ƒ600 tot ƒ800 die voor hem werd gevraagd, ontving de plaatsvervanger uiteindelijk circa ƒ400 2 . Minstens eenderde deel van het door de geremplaceerde betaalde bedrag bleef dus aan de strijkstok hangen van de maatschappijen en personen die zich met bemiddeling en toelevering van remplaçanten bezighielden. Vanwege het winstbejag van de bemiddelaars en de hoge prijs van de remplaçant leek het remplaçantenstelsel een rijkeluisprivilege, dat niet paste in de geest van een aan het eind van de negentiende eeuw groeiend sociaal besef.
doi:10.18352/bmgn-lchr.3919 fatcat:6jwl3omuijajxcai6xaewzklpm