INVESTERINGSAFTREK VOOR STATIEGELD-EMBALLAGE

D. A. M. Meeles
1963 Maandblad Voor Accountancy en Bedrijfseconomie  
INVESTERINGSAFTREK VOOR STATIEGELD-EMBALLAGE door D. A. M. Meeles Dat z.g. statiegeld-emballage, als drankflessen en kisten, fiscaal tot de bedrijfs middelen behoort -uiteraard mits voldaan wordt aan de overigens daarvoor geldende criteria1) -is vrij lange tijd gemeengoed geweest. Hieraan was wellicht debet de Ministeriële resolutie van 24 september 1954 no. 1262), in lid 5 waarvan de minister een praktische oplossing gaf voor de toepassing der desinvesteringsbijtelling voor bedrijfsmiddelen,
more » ... arvan de afstoting en dus ook de vervanging zodanig regelmatig plaats vindt, dat het bedrag van de desinvestering reeds te voren, bij benadering, kan worden gesteld op een zeker percentage van het bedrag van de investering. Deze toepassing hield in, dat de desinvestering niet in aan merking werd genomen door verhoging van de desinvesteringsbijtelling doch door verlaging van de investeringsaftrek met het percentage van de gemiddeld te ver wachten vervreemdingen. Tot de in deze resolutie bedoelde bedrijfsmiddelen kon stellig ook de statiegeld-emballage worden gerekend. De praktijk wees dan ook uit, dat voor statiegeld-emballage de resolutie veelvuldig toepassing vond. Bleek in enig geval b.v. gemiddeld 10% van de aan afnemers gezonden statiegeldemballage niet terug te komen dan werd het percentage van de investeringsaftrek dienovereenkomstig verminderd van 5 tot 4)/£, waardoor dan toepassing van des investeringsbijtelling voor bedoelde emballage achterwege kon blijven. In 1959 kwam het Gerechtshof te 's-Gravenhage evenwel tot de conclusie, dat in het algemeen ten aanzien van drankflessen geen sprake kon zijn van be drijfsmiddelen in fiscale zin. Immers konden de dranken niet anders worden af geleverd dan juist in flessen. De afnemers stelden niet alleen prijs op de drank, doch ook op de fles, waarin zij de drank konden bewaren en waaruit zij deze pleegden te schenken. Ergo moest niet de drank als het verhandelde object worden beschouwd, doch de fles met inhoud. Mede omdat er voor flessen in het algemeen geen inleveringsplicht bestaat en het risico van teloorgaan bij de afnemers berust voorzover zij flessen onder zich hebben, kwam het Hof dan ook tot de conclusie, dat de flessen handelswaar vormden en geen bedrijfsmiddel. Aan de kisten, in welke de flessen werden ver voerd, werd wel het karakter van bedrijfsmiddel toegekend. De Hoge Raad casseerde deze uitspraak, o.m. op grond van de volgende overwegingen: "dat het voor de beantwoording van de vraag of de flessen voor belang hebbende al dan niet bedrijfsmiddel zijn, hierop aankomt of deze flessenniet stuk voor stuk, maar als een of meer partijen van gelijke voorwerpenduurzaam voor de uitoefening van het bedrijf worden gebruikt dan wel als bestanddeel van de omzet worden verbruikt; dat hiervoor niet beslissend is dat, (enz. volgen de overwegingen van het Hof), maar wel, dat belanghebbende door telkens ledige flessen die haar afnemers onder zich hebben van hen weder in ontvangst te nemen en het 1) Zie de beschouwing van schrijver dezes in het M.A.B. van januari 1960. 2) Bel. ber. I 760. m ab blz. 169
doi:10.5117/mab.37.16037 fatcat:fb7zrku4y5dotgeyxhsdvbfcsq