De zoutaccijns in betrekking tot den landbouw

Adolf Mayer
1880 De Economist  
Prof. I. W. Gunning te Amsterdam heeft mij de eer aangedaan, om op mien stuk, onder bovenstaanden titel voorkomend in de April-aflevering van dit tijdschrift, te antwoorden. (*) Moge de geachte schrijver in de hoofdpunten ook al met mJj van meening verschillen, toch doer her m U genoegen, een naar mi~ne meening belangr~k vraagstuk op ernstige wijze en door een b~ voorkeur daartoe aangewezen persoon besproken te zien. Ik vertrouw dan ook, dat de diseussie over dit vraagstuk niet eer zal
more » ... et eer zal ophouden, tot de deskundigen her daarover eens zijn, ofsehoon her eindresultaat van prof. Gunnlng's beschouwingen vrijwel lijnregt staat tegenover her resultaat, waartoe ik door mijne overwegingen ben gevoerd. Her komt den geachten hoogleeraar her meest verkieslijk veer, ,dat de bestaande toestand, war her beginse] betreft, behoudeu blijve," terwU1 door mij een belangrijke wUziging van dien toestand wenschelijk wordt geaeht. Men moge nu echter over de door mi~ voorgestelde verbeteringen en hare uitvoerbaarheid denken war men wil, z55veel is~ naar mijne meening in elk geval duidelijk~ dat~ wanneer in de wetgeving geen verandering komt~ ook de bestaande toestand van her gebruik (of liever niet-gebruik) van zout bij den landbouw behouden wordt. Dit laatste wordt eehter door mijn geaehten bestrijder zelf niet wensehelijk geaeht. Yerbetering van den tegenwoordigen toestand verwaeht prof. Gunning a||een van een zoo vrUzinnig mogeli~ke toepassing der voorschriften van de zi~de der administratie~ dat~ ,her aan elken belanghebbende zoo gemakkelUk mogelijk worde gemaakt~ om her door hem voor landbouw-doeleinden aan te wenden zout zoo te doen (*) Zie blz, 738, aft. Juli en Augustus van dit Tijdschrift.
doi:10.1007/bf02199334 fatcat:3rswkjfixve33llokqqewylr24