H. Gras, met medewerking van H. van Vliet en B. Pratasik, 'Een stad waar men zich koninklijk kan vervelen'. De modernisering van de theatrale vermakelijkheden buiten de schouwburg in Rotterdam, circa 1770-1860

Frank Peeters
2011 BMGN: Low Countries Historical Review  
stad waar men zich koninklijk kan vervelen'. De modernisering van de theatrale vermakelijkheden buiten de schouwburg in Rotterdam, circa 1770-1860 (Hilversum: Verloren, Antwerpen: Manteau, 2009, 558 blz., ISBN 978 90 8704 088 8). 'Een theatergeschiedenis die zich op theater richt, dat wil zeggen op theater als maatschappelijk verschijnsel wat aanzienlijke méér inhoudt dan een voorstelling, geeft ook deze kleine Goden hun geschiedenis terug [...]' (453). Gras biedt in dit werk veel meer dan een
more » ... veel meer dan een stuk Rotterdamse theatergeschiedenis. Dat is het natuurlijk óók, maar tegelijk reikt het de bredere cultuur-sociologische context aan waarbinnen deze 'kleine goden' functioneerden. Dit lijkt mij overigens de enig zinvolle aanpak wil men tot een theaterhistoriografie komen die van enig nut wil zijn voor de ruimere historische landschapstekening. Het theater is bij uitstek een kunst die nauw vervlochten is met het omringende sociale, economische en politieke weefsel. Gras is een archieftijger pur sang en heeft in het verleden al bewezen dat hij gepassioneerd op zoek gaat naar deze omgevingsfactoren, waarbij in onderhavige studie 'de meeste aandacht [zal] gaan naar particuliere ingezetenen die binnen die infrastructuur opereerden' (16). Inderdaad draagt ook deze publicatie de sporen van uitvoerig prosopografisch onderzoek. Kern van het onderzoek is het dynamische spanningsveld dat er in Rotterdam tussen 1770 en 1860 ontstond in de periferie van het podiumkunstenvermaak. Hieronder verstaat de auteur alle vormen van vermaak buiten de grote schouwburg aan de Coolsingel. De constatering waaraan in de titel wordt gerefereerd en die tegelijk een duidelijk waardeoordeel uitspreekt, wordt getoetst op haar historische correctheid. Het zijn enkele tijdgenoten die in een zogenaamde Physiologie van Rotterdam (1844) -een toentertijd populair genre waarin het stadsleven en de sociale verhoudingen mild karikaturaal worden geschetst -de havenstad tot saai nest proclameerden. Maar was dit wel zo? Gewapend met enkele theoretische duimstokken (Bourdieu, Ganzeboom, Knulst -tot wie hij zich antithetisch zal verhouden), maar vooral met een tas vol archivalia gaat Gras na welk aanbod er buiten de Coolsingel-schouwburg beschikbaar was. Een gewogen oordeel is slechts mogelijk wanneer het aanbod wordt gerelateerd aan de 'agens' (zowel de producent als de
doi:10.18352/bmgn-lchr.7432 fatcat:fk4mfasvwrafjnor4p63msgmf4