Column Wie niet kopen wil, moet maar stelen

Johannes L. Bouma
1991 Maandblad Voor Accountancy en Bedrijfseconomie  
Economen en juristen hebben uiteenlopende visies op de wereld. Neem bijvoorbeeld de kijk op het financiële vermogen van een onderneming. Juristen zien dit vooral in het licht van de polariteit van eigen versus vreemd vermogen, waarbij de nadruk ligt op het criterium 'mijn of dijn ' en op het al dan niet voorwaardelijke karakter van de aan gegane plichten en rechten. Het denken wordt beheerst door het zoeken naar billijkheid en for maliteit. Economen daarentegen zijn in hun den ken minder
more » ... n ken minder 'rechtvaardig' en minder 'formeel'. Zij vragen zich met betrekking tot het onderne mingsvermogen niet zozeer af o f het bestuur 'eigenlijk' wel o f niet verplicht (en/of gerechtigd) is bepaalde betalingen aan vermogensverschaffers te doen, als wel o f het nuttig en opportuun is ver plichtingen na te komen. Het denken wordt beheerst door de polariteit van voor-en nadeel. Deze benadering die meer ruimte laat voor het fei telijk optreden van opportunisme, behoeft niet per se strijdig te zijn met de juridische. Allerlei vor men van opportunisme zijn maatschappelijk -na gemor en tandengeknars -geaccepteerd en zelfs door de wetgever gecanoniseerd. Te denken valt aan de (mogelijke) beperking van de aansprake lijkheid van bestuurders en aandeelhouders voor de verplichtingen van hun vennootschap o f (coö peratieve) vereniging. Buitensporige vormen van opportunisme die hierdoor kunnen binnenslui pen, tracht men te ontmoedigen met de zoge noemde anti-misbruikwetgeving. (Het opwach ten van de boosdoener in een stille straat zou wel eens effectiever kunnen zijn, maar dat mag juri disch niet.) Ons maatschappelijk bestel drijft in aanzienlijke mate op de ordenende werking van het eigendomsrecht. Dit recht is juridisch tamelijk nauwkeurig omschreven als het recht om over een (lichamelijke) zaak te beschikken, dat wil zeg gen: de bevoegdheid om met betrekking tot de zaak zowel feitelijke als ook rechtshandelingen te verrichten. Ruimer dan het juridische begrip van de eigendom is het in de economie ontwikkelde begrip van de 'property rights'. 'Property rights' worden gedefinieerd als: intermenselijke gedragsrelaties die voortvloeien uit het bestaan van goederen (inclusief diensten) en die betrek king hebben op het gebruik hiervan, terwijl deze relaties worden bekrachtigd en gewaarborgd door wet en gewoonte. Het gaat dus niet om rela ties tussen mensen en dingen, maar om gedrags relaties tussen mensen onderling. Er bestaan ver schillende soorten van 'property rights'. Naast het eigendomsrecht kan men onder meer denken aan het recht van huur o f het recht van overpad, maar ook aan de zogenoemde elementaire mensen rechten, zoals het recht van vrije meningsuiting en het recht van vereniging en vergadering. Het maatschappelijk verkeer bestaat in het uit wisselen en uitoefenen van 'property rights'. Vele 'property rights' zijn vatbaar voor verhandeling. Eén van de voorwaarden voor verhandelbaarheid van 'property rights' is dat het mogelijk moet zijn dat de eigenaar anderen moet kunnen uitsluiten van het gebruik van het desbetreffende recht. Immers niemand is bereid te betalen voor een recht dat hij zich (elders) kosteloos kan toeëigenen (bijvoorbeeld omdat effectieve uitsluiting van non-betalers ontbreekt, zoals bij zwartrijden met het openbaar vervoer). De effectieve handhaving van de 'property rights' en de openbare bescherming van de rechten van talloze goedwillende burgers krijgen dikwijls min-Prof. Dr. J. L. Bouma, geboren in 1934, hoogleraar Bedrijfseconomie aan de Rijksuniversiteit te Groningen. 192 m ei 1991
doi:10.5117/mab.65.16768 fatcat:sqgqsidchncnziyvm4wrf4xhl4