"INFORMELE" KAPITAALINBRENG IN HET FISCALE RECHT

W. E. Kremer
1964 Maandblad Voor Accountancy en Bedrijfseconomie  
Inleiding In het arrest H. R. 3 april 1957, B.N.B. 1957/165, wordt gesproken van "inforr mele" kapitaalinbreng. De H.R. overweegt in dat arrest: "dat er gevallen zijn waarin voor de toepassing van het belastingrecht moet wor den aangenomen, dat inbreng van kapitaal in een N.V. heeft plaats gevonden, niettegenstaande van een storting op de aandelen geen sprake was en zelfs niet heeft kunnen zijn, omdat het gehele maatschappelijke kapitaal der N.V. was ge plaatst en door betaling van het nominale
more » ... ng van het nominale bedrag der aandelen was volgestort; dat zulk een geval zich voordoet, indien een moeder-maatschappij als houdster van de aandelen ener dochteronderneming enkel op grond van de door haar in die hoedanigheid tot de dochteronderneming bestaande verhouding aan deze een voor deel in geld of goederen doet toekomen, dat zij onder gelijke omstandigheden aan een van haar onafhankelijke onderneming niet zou hebben verschaft; dat toch in dat geval door de dochteronderneming een voordeel wordt genoten, dat zijn oorzaak uitsluitend in de interne verhouding tussen haar en haar aandeelhoudster vindt, waardoor in fiscaal-rechtelijke zin kapitaal wordt ingébracht." De moeder-maatschappij in dit geding was een Amerikaanse vennootschap. Zij leverde na de oorlog een aantal kantoormachines aan haar dochter. De Neder landse Bank, die tot deze levering vergunning moest verlenen, had aan die ver gunning de voorwaarde verbonden, dat de betaling van de machines zou plaats vinden door storting van de koopsom op een ten name van de moeder te openen geblokkeerde rekening. Het saldo van die rekening zou enkel mogen worden ge bruikt voor de financiering van een pensioenregeling ten behoeve van het perso neel van de dochter. In 1953 ging de dochter over tot het treffen van een pensi oenregeling voor haar personeel. Het desbetreffende saldo kwam toen te harer be schikking. Zij genoot daardoor ten laste van haar Amerikaanse moeder een voor deel. De Inspecteur rekende dat voordeel tot de fiscale winst van de dochter. De H.R. was op grond van de genoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat een transactie onder dergelijke voorwaarden tussen van elkaar onafhankelijke ondernemingen normaliter niet wordt afgesloten. De H.R. besliste dat hier in fiscaal-rechtelijke zin kapitaal in de dochter was ingebracht. En inbreng van kapitaal moet uiteraard niet tot de winst worden gerekend. Op de feiten van het arrest ga ik niet verder in. In zijn annotatie op het arrest wijst Smeets er op, dat evenbedoelde storting van kapitaal economisch het meest vergelijkbaar is met agio, dat voorkomt bij de uitgifte van aandelenkapitaal. Daarom zal ik hierna ook het agio-probleem ter sprake brengen. Winstbegrip Besluit Vennootschapsbelasting De beslissing van de H.R. acht ik in overeenstemming met de strekking van het Besluit Vennootschapsbelasting. Art. 6, lid 2, van dat Besluit verwijst naar art. 6 Besluit Inkomstenbelasting. Volgens die bepaling is winst het bedrag van de ge zamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden ver kregen uit bedrijf. Het hiervoor bedoelde voordeel werd niet verkregen uit be m a b blz. 108
doi:10.5117/mab.38.15416 fatcat:heq6qnoclvgondfki5eggxrvgy