Als 't getij verloopt, verzet men de bakens

Johannes L. Bouma
1989 Maandblad Voor Accountancy en Bedrijfseconomie  
Lezers van het MAB, vooral de trouwe en aan dachtige lezers, zullen in de afgelopen maanden gemerkt hebben, dat de redactie in de weer is met de identiteit van het blad. In september 1988 heb ik in een column gewezen op de wenselijkheid van het eigen gezicht. Het was daarbij wat teleur stellend dat de zetter op het allerlaatste moment, met een correctie van het lettertype, de door mij beoogde titel 'Een eigen gezicht' heeft veranderd in 'Een eigen inzicht'. Hiermee werd -onbedoeld -op
more » ... doeld -op letterlijke wijze verzinnebeeld hoe moeilijk het is om een eigen gezicht naar buiten uit te stra len. (Het verwerven en overdragen van inzicht is overigens ook geen sinecure.) De eigentijdse communicatiekunde legt beroeps halve de vinger bij het veelal frustrerende feit, dat er een kloof bestaat tussen aan de ene kant de identiteit van de 'zender', dit is: het beeld dat deze van zichzelf wenst uit te dragen naar diverse groepen van 'ontvangers' die hij voor zijn doen en laten wenst te interesseren, en aan de andere kant het imago van de 'zender' dit is: het beeld dat bij de 'ontvangers' daadwerkelijk heeft postge vat. De discrepantie tussen identiteit en imago wordt vertolkt in gevleugelde woorden als: 'Niet de spreker, doch de toehoorder bepaalt wat er gezegd wordt' en 'Lees maar, er staat niet wat er staat'. Spanning tussen het 'geïdealiseerde zelf beeld' en de 'gerealiseerde indruk bij anderen' leidt tot misverstand en verwarring. Het is in deze verwarring zelfs voorgekomen dat de brenger van de boodschap omtrent de 'realiteit' is opge hangen. Onze zorgzame samenleving zou zichzelf niet zijn, als er intussen niet een vorm van (commer ciële) dienstverlening zou zijn ontstaan die door middel van gerichte communicatie en welover wogen 'advertising' probeert te bewerkstelligen dat identiteit en imago beter overeenkomen. Sommigen houden een volledige overeenstem ming van identiteit en imago voor een ideaal (zie: Financial Corporate Advertising, uitgave van Het Financieele Dagblad, 1988). Afgezien van de in deze visie ontbrekende kosten/baten-afweging, lijkt mij dit ideaal even opwindend als het kleine dorpsleven anno 1900. Wat ziet de redactie als een gewenste identiteit van het MAB? Is dit het ideaal-beeld van een wetenschappelijk tijdschrift van de hoogste stan ding? Zulks zou getuigen van gebrek aan reali teitszin. De wetenschapsbeoefening is een inter nationaal bedrijf, waarin de communicatie in de Nederlandse taal slechts van ondergeschikte betekenis is. De internationale wetenschappelijke tijdschriften vertonen een sterke neiging tot spe cialisatie. Zuiver-wetenschappelijke periodieken doelend op een lezerspubliek met breed gespreide interesses zijn nauwelijks bestaanbaar, in elk geval niet in een klein taalgebied zoals het onze. Mede op grond van de historie en de traditie van het MAB heeft de redactie gekozen voor een beleid dat is gericht op het bevorderen en instandhouden van de gedachtenwisseling tus sen wetenschappelijke onderzoekers en praktizerende vakgenoten. Kenmerken van degelijk heid en originaliteit staan hierbij hoog in het vaan del, zodanig dat auteurs prestige en gezag ver mogen te ontlenen aan hun publikaties in ons blad. Het ware bovendien te wensen dat de lezers, leer gierig als zij zijn, alles op zij zouden zetten om elk nummer van A tot Z te spellen, waarbij zij over de inhoud niet uitgepraat raken. Ik houd het niet voor onmogelijk dat er in de geschiedenis van het MAB korte perioden zijn geweest waarin een betrekke lijk kleine groep van lezers het blad in dit ideaal beeld heeft herkend. Een enkele keer tref ik zo'n 2 januari/februari 1989
doi:10.5117/mab.63.13935 fatcat:is4vconenjcnxbbwkxzwr6picy