J.F.E. Bläsing, H.H. Vleesenbeek, Van Amsterdam naar Tilburg en toch weer terug. Opstellen aangeboden aan dr. Joh. de Vries ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar economische geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Brabant op 16 oktober 1992

L. Noordegraaf
1994 BMGN: Low Countries Historical Review  
ed., Van Amsterdam naar Tilburg en toch weer terug. Opstellen aangeboden aan dr. Joh. de Vries ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar economische geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Brabant op 16 oktober 1992 (Leiden-Antwerpen: Martinus Nijhoff, 1992. Bij zijn afscheid als hoogleraar in de economische geschiedenis te Tilburg werd Joh. de Vries een kloeke afscheidsbundel aangeboden die zeer gevarieerd van inhoud mag worden genoemd. Deze diversiteit is gevolg van het feit dat de
more » ... van het feit dat de redacteuren aan de auteurs van de bijdragen -een aantal collegae, vrienden en oud-promovendi van De Vries -de vrije hand hebben gelaten bij de keuze van hun onderwerp. Achteraf blijkt dat, ondanks de variatie, toch wel enkele 'clusters' uit de bijdragen te vormen zijn, en wel op de terreinen waarop De Vries nadrukkelijk zijn intellectuele kracht heeft gedemonstreerd: bank-en bedrijfsgeschiedenis, achttiende-en negentiende-eeuwse economische geschiedenis en belletrie, aldus althans de redactie. Hoe dit ook zij, de bundel opent met een artikel van de hand van Camijn en Vleesenbeek over De Vries als economisch historicus en wegbereider van de Nederlandse bedrijfsgeschiedenis; een tekst die overigens minder pretendeert dan de titel suggereert. De betekenis van De Vries' dissertatie uit 1958 over de economische achteruitgang van de Republiek in de achttiende eeuw voor ons historisch bedrijf-het boek was één van de eerste, zo niet de allereerste poging hier te lande tot 'integrale' economische geschiedschrijving met behulp van economisch-theoretische begripsvorming -wordt mijns inziens tekort gedaan met de constatering dat de promovendus de discussie over de achteruitgang samenvatte en aanvulde met eigen onderzoeksgegevens. Ook over het belang van De Vries voor de bedrijfsgeschiedenis in Nederland valt meer te zeggen dan hier het geval is. Dat zijn invloed op de ontwikkeling van de geschiedschrijving van ons bedrijfsleven groot is geweest, zal niemand ontkennen, maar om die invloed nu vooral af te meten aan het leggen van relaties tussen bedrijfshistorici en aan het stimuleren van activiteiten doet aan de kwaliteit en uitstraling van De Vries' wetenschappelijke produktie op dit terrein te weinig recht. Maar genoeg onaardigs gezegd. Het zal, naar we mogen aannemen, niet de bedoeling van de auteurs zijn geweest met hun feestrede historiografisch diep te graven. Hierop volgt een biografische schets geschreven door De Vries' medewerker in Tilburg J. F. E. Biasing, waarin jammer genoeg De Vries' kwaliteiten als toneelspeler -een psychologisch niet onbelangrijk gegeven bij het volgen van diens 'Werdegang' in het vak?-onbelicht blijven. Gelukkig dat F. A. M. Messing in zijn boeiende sociografische en participerend observerende bijdrage over ritueel gedrag onder Nederlandse hoogleraren in de geschiedenis ook voor andere, zij het niet altijd even flatteuze facetten van de persoonlijkheid van de emeritus (en anderen niet te vergeten) aandacht vraagt. Dan het 'echte' werk, waarvan ik schematisch opgave doe: het muntwezen van het hertogdom Nassau in de negentiende eeuw (Bosmans), glasblazerijen in Den Bosch (Van den Eerenbeemt), de mislukte droogmaking van het Naardermeer en de familie Rutgers van Rozenburg (Faber), Pierson over indexcijfers en prijsstabiliteit (Fase), bescherming en ordening in het levensverzekeringsbedrijf (De Hen), De Nederlandsche Handel-Maatschappij en de handel met Japan tussen
doi:10.18352/bmgn-lchr.3875 fatcat:vbu6jlyj6nfnjdh6a67vi5kjfe