L.C. Palm, Alle de brieven van Antoni van Leeuwenhoek. The collected letters of Antoni van Leeuwenhoek, XIV, (1701-1704)

Klaas van Berkel
1998 BMGN: Low Countries Historical Review  
Recensies zijn geworden. Toch lijkt de algemene strekking van het boek aannemelijk en verschaft het allerlei nuttige gegevens over een weinig onderzocht tijdvak. Men dient het echter met voorzichtigheid te gebruiken. Guido de Bruin L. C. Palm, ed., Alle de brieven van Antoni van Leeuwenhoek. The collected letters ofAntoni van Leeuwenhoek, XIV, (1701-1704) (Lisse: Swets & Zeitlinger, 1996,395 blz, ƒ395,-, ISBN 90 265 1450. De brieven van Antoni van Leeuwenhoek vormen niet alleen een belangrijke
more » ... en een belangrijke bron voor de geschiedenis van de wetenschap, de uitgave zelf is inmiddels ook een historisch document geworden. De wijze waarop de brieven worden uitgegeven en geannoteerd maakt deze uitgave namelijk tot een relict uit een tijd, nog voor de Tweede Wereldoorlog, dat van een zelfstandige wetenschapshistorische professie nog geen sprake was en het vak vooral door natuurwetenschappers zonder speciale historische scholing werd beoefend. Met name de taalkundige annotatie (de uitleg van Leeuwenhoeks woordgebruik) lijkt bedoeld voor de bioloog die nog nooit een oud-Nederlandse tekst heeft gelezen en dus uitgelegd moeten krijgen dat het bij 'liefhebbers' die kabinetten aanleggen met dingen die ze 'voor wat raars' houden gaat om 'verzamelaars' die 'iets kostbaars' bezitten (in de Engelse vertaling staat overigens 'something uncommon' wat anders, maar ook beter lijkt). Dergelijke toelichting lijkt tegenwoordig niet (meer) nodig, zeker niet als de Engelse vertaling, die op de tegenoverliggende bladzijde is afgedrukt, vaak al aangeeft hoe het Nederlands gelezen moet worden. Het is begrijpelijk dat de uitgave-politiek tijdens de rit niet gewijzigd wordt en het is te prijzen dat de uitgave in een versnelling lijkt te zijn gekomen (de laatste vier delen verschenen in respectievelijk 1983, 1989, 1993 en nu dus 1996), maar curieus is het wel.. De 21 brieven van en de twee brieven aan Leeuwenhoek die in dit deel zijn opgenomen zijn niet werkelijk opzienbarend. Het is de inmiddels bekende potpourri van 'zaaken die ons bloote oog ontwijken' en pas door Leeuwenhoeks microscopen zichtbaar werden: niet alleen het zaad van spinnen en hanen, de vorm van zandkorrels uit Indië (die veel fijner zijn dan bij het Europese zand), het kiemproces bij pitten van Surinaamse sinaasappelen, de bouw en het voorkomen van eendekroos, allerlei eencelligen in regenwater, het zuiveren van goud en zilver, de herkomst van leverbot, de vermeende schadelijke werking van tabak, de rode bloedlichaampjes in jonge palingen, maar ook de constructie van een nauwkeurig instrument om het verval van water te meten en een middel tegen wat wij asthma zouden noemen. Interessanter zijn vaak de terzijdes van Leeuwenhoek, die iets laten zien van zijn milieu. Zo spreekt hij veelvuldig met de slagers in de vleeshal, discussieert hij met geleerde en zeer geleerde heren, trekt hij het weiland in op zoek naar de herkomst van de leverbot, krijgt hij een bevriend heer zo gek om de tuinman in een bepaald jaar juist niet de spinnen te bestrijden, opdat Leeuwenhoek ze beter kan bestuderen etc. Ook over de levensovertuiging van Leeuwenhoek worden we af en toe iets wijzer. Zo zou men op grond van brief 233 (9 februari 1702) denken dat Leeuwenhoek sterk deïstisch of zelfs naturalistisch dacht. In het begin van de brief heeft hij het naar aanleiding van het vermogen van raderdiertjes om na uitdroging weer tot leven te komen wanneer ze in een vochtige omgeving gebracht worden nog over 'de Voorsienigheid, die de Dierkens in geschapen is, op dat haar geslagt in wesen soude blyven' en verderop heeft hij het nog eens over 'de onbegrypelijke voorsienigheid, volmaaktheid, en ordre, die de Heere Maker van het Geheel Al, in soodanige kleyne schepselen ingeschapen heeft', maar aan het eind van de brief lijkt de
doi:10.18352/bmgn-lchr.4696 fatcat:lfyaaw3olnec5m46yzffkjgcdi