De wording der nood-ordonnantie van 4 December 1884

van den Berg
1908 De Economist  
In de Girls van Februari 1.1. heeft de mederedacteur Mr. C. Th. van Deventer ann mijne oalangs uitgegeven historisehstatistisehe bijdragen over her taunt-, crediet en bankwezen en den handel en seheepvaart in Nederlandsch Indi~ ('s Gravenhage, Martinus Nijhof, 1907) eene van groote welwi]lendheid getuigende bespreking gewijd, die besloten wordt met de opmerking, dat de in da~ werk opgenomen schets van de crisis van 1884, onvolledig is in zooverre onvermeld blecf "de nood-ordonnantie Hva.n 4
more » ... nnantie Hva.n 4 December 1884, krachtens welke de vestiging van een ,/in onze wetgeving tot dusver geheel onbekend verband op te "velde staande vruchten werd mogelijk gemaakt, en die, binnen "enkele dagen ontworpen en uitgevaardigd, als een der voorname #stutten mag worden beschouwd, welke in die moeielijkedageu ,/her wankelend credietgebouw tegen reddeloos instorten hebben "beveiligd". De opmerking van Mr. van Deventer is voikomenjuist; maar onjuist is zijne meening, dat ik uit ,~beseheidenheid,~ de zaak onbesproken liet en we1 in verbaud met het werkzame aandeel, dat ik a'au her uontwerpen en uitvaardigenu dier nood-ordonnantie genomen heb. Ik mag mij deze zeker zeer vleiende opvatting niet laten aanleunen, en dit te minder omdat niet ann bewuste ordonnantie de redding uit den toenmaligen nood te danken is, doeh enkel en alleen ann de te Amsterdam in het werk gestelde en met gelukkig gevolg bekroonde pogingen en bemoeiingen van de mannen, die ter redding van de wankelende Nederlandsch Indisehe Handelsbank naast haar de Nederlandsch Indisehe Landbouw Maatschappij in her leven wisten te roepen. Hunne ,~t~ot "allen die belang hebben bij en belang'stellen in de toekomst ~van Nederland en Nedertandseh-Indi~" geriehte oproeping (re o~37 vinden op blz. ~7 vau mijn boven aaugehaald werk) tot deelneming in de ten laste diet Maatschappij uit te geven leening van f9 millioen, draagt de dagteekening van (Maandag) 17 November, de iuschrijving had plants op Woensdag 19 en bleef opengesteld ook op Donderdag 20 November, en reeds in den zeer vroegen morgen van Zondag 23 November ken de waarnemend Hoofdagent der Handelsbank, nu wijleu de Heer M. Beck, mij komen verblijden met her per telegram van zijne Directie ontvangen heugelijke bericht, dat door her slagen der leening redding nit den dreigenden need nabij was. ') De nood-ordonnantie in quaestie nu werd afgekondigd in de Javasche Courant van 5 December, teen her ergste dus achter den rug was, en uit dezen hoofde dacht het mij ounoodig er opzettelijk bij stil te st~an in bet uit den aardder zaak summiere relaas van de crisis van 1884~, waaraan in mijn door Mr. van Deventer aangekondigd werk eene plants moest wordeu ingeruimd. Met dat al zal, zooals terecht door hem wordt opgemerkt, iJl eene volledige geschiedenis diet donkere dagen de nood-ordonnantie van December 1884~ niet onbesprokeu mogen blijven, ook vooral niet hare wordingsgeschiedenis, eu als eene ter zake dienende bijdrage dunkt her mij niet te onpas thans hog openbaarheid te geven san de Nots, die na langdurig en rijp beraad in de vergaderingen van de Directie der ffavasche Bank met den Rand van Commissarissen op her papier werd gebracht, en die ter gelegenheid van eene te Buitenzorg ann mij en de Heeren Commissarissen &. J. W. van Delden (Chef van het administratiekantoor Reijnst en Vinju en oud-Voorzitter van de Bataviasche Kamer van Koophandel) en C. P. Lohr (President van de Factory der Nederlandsche Handel Maatschappij) o13 Donderdag 13 November verleende particuliere audi~ntie aan den Gouverneur Generaal van Rees werd ter hand gesteld. Die Nota, een getrouwe weerklank van de zorgen en angsten, die op dat oogenblik zoo veler harten en hoofden vervulden, luidt woordelijk als volgt: ~) De Hoofdageut der Handelsbank, nu wijlen de Heer H. P. van Heukelom was in de eerste helft van October, ook op mijn aanraden, tot her plegen van overleg met de Direetie naar Amsterdam vertrokken, waar hij tijdig genoeg aankwam om te kunnen deelnemen ann de besprekingen, die tot her oprichten van de Nederlandsch-Indische Landbouw Maatschappij geleid hebben.
doi:10.1007/bf02128783 fatcat:r23ih7z575cr5nnhlb6e3plkzu